Reisverslagen



India 04-10-99 t/m 01-11-99


Maandag 4 oktober

Het moest er toch eens van komen: een bezoek brengen aan Asit Nema, onze man in India, die we hebben leren kennen via het Meet the Dutch programma zo'n 6 jaar geleden. Een klein intelligent mannetje met zo'n typisch hoog stemmetje met het daarbij behorende indian-engels.
Voorafgaande aan onze derde grote reis naar zo'n exotisch continent is er veel ge-emailed met Asit. Want als je de verhalen uit de diverse aangeschafte boekjes moet geloven, is het leven in India niet gemakkelijk. Het boeken van de nodige treinreizen is een grote ellende, dus hebben we aan Asit gevraagd dat voor ons te doen, and so he did. Voor de eerste week waren we dus van vervoer voorzien.

De dag van ons vertrek begint met de wekker om 6.45 uur. Buiten regent het ongewoon hard. We nemen de trein van 8.00 uur. Het kleine stukje naar het station is niet te doen, want het regent wel heel erg hard. Dus de knalgele Renault Kangoo, deze lente gekocht, gepakt en naar het station gereden.
Inchecken op Schiphol gaat vlot, alleen krijgen we te horen dat er nogal overboekt is, dus zijn we vooralsnog niet zeker van een plekje in het vliegtuig. Dit is dan de eerste irritatie: heb je gvd 2 maanden geleden geboekt, ben je nog niet zeker van een plaats. Als argument wordt gebruikt, dat het altijd voorkomt dat er mensen niet op komen dagen, dus overboeken ze maar. Bepaald niet klantvriendelijk.Er zijn mensen die hiermee speculeren door een schadeloosstelling op te strijken voor het geval dat ze echt niet meekunnen
Nadat we shag, parfum, wijn en kaas hebben we gekocht, gaan we in de rij staan om aan boord te kunnen. Het zit barstensvol, een volle bak dus, de irritatie groeit. Door de veiligheidsdienst wordt elke passagier aan de tand gevoeld: heeft u geen pakjes aangenomen van vreemden, heeft u uw bagage zelf gepakt? Kortom allemaal vrij streng, wat ons wel een wel een veilig gevoel geeft.
Gelukkig krijgen we een plek in de Boeing van North West Airlines, een maatschappij die gelieerd is met de KLM, die vol zit met goedgemutste Siktulbanden. We worden goed verzorgd door de niet al te vriendelijke crew. Om 22.37 uur lokale tijd (3,5 uur later) landen we na 8 uur vliegen netjes op Indiase bodem.
Het uitchecken gaat gelukkig vrij vlot en met onze spaarzame bagage worden we opgewacht door een getulbande Sik- taxichauffeur, die Ellen in Holland geregeld heeft, om ons naar hotel 55 te brengen. In een stokoude Indiase Ambassador worden we door het krioelende verkeer geloodst. We krijgen een eenvoudige kamer met douche voor 1500 rupies per nacht, ongeveer 80 gulden. We drinken nog wat op het balkon van het hotel, je ruikt de enorme hoeveelheid uitlaatgassen, en ondanks de kakofonie van het toeterende en optrekkende verkeer vallen we daarna vermoeid in een diepe slaap.


Dinsdag 5 oktober

Het is benauwd en warm in Delhi op deze dinsdagochtend en samen met de enorme vervuiling veroorzaakt door de uitlaatgassen van de honderden gemotoriseerde driewielers wacht ons een vermoeiende eerste dag in deze wereldstad met 13 miljoen inwoners.
De in de boeken breed uitgemeten waarschuwingen tegen de 'touts' worden bevestigd. Nog geen 10 stappen buiten de poort van het hotel worden we al aangesproken, eerst heel vriendelijk: hoe gaat het, from Germany? Daarna op een slinkse manier overgaand op: loop maar even mee, ik kan alles vertellen over Delhi. Gewapend met de nodige schroom kunnen we ze vriendelijk, doch nadrukkelijk van ons afhouden. En toch trappen we erin. Al lopende langs de vele schoenpoetsers ontdekt plots een van de schoenpoetsers een groene strontplek op Ellen's bruine gympen. Gatverdamme, zegt Ellen en meteen krijgen we hulp van een van de jongens. Let me clean it! En ja hoor, 5 minuten later staan we 450 rupies af te rekenen. We sputteren niet al te overtuigend tegen met de stoere woorden: daar kunnen we in Holland 2 paar schoenen voor kopen. Voordat we ruzie krijgen met deze 2e irritatie betalen we en lopen al vloekend verder. Deze kereltjes zijn zo gewiekst, ze spuiten met strontpistooltjes die stront op je schoenen en bieden dan hun diensten aan. Kut, en we waren nog zo gewaarschuwd.
In een restaurant hebben we onze 1e lunch. Onze maag en darmen krijgen de 1e bacillenstoot te verwerken. Hoe gaan ze daarmee om is de prangende vraag. We zullen het de komende uren wel gaan meemaken als onze chemische fabriek hierop reageert.
Asit heeft inmiddels het hotel gebeld om ons vanavond te komen halen. Misschien onze 3e irritatie, want Asit schijnt een paar despoten van kinderen rond te hebben lopen, enfin we zien wel. We worden door Asit rond 18.00 uur opgehaald. We herkennen hem meteen: the same high voice, the same friendly smile. In z'n kleine Suzuki-Peruti baant hij zich een weg door het onvoorstelbare drukke verkeer naar z'n woning ergens in het zuiden van Delhi. Mooy, de oudste zoon ( made in Holland ), staat ons al op te wachten. De flat ligt in een bewaakt gedeelte van de wijk. Sangreeta is, evenals Asit, geen steek veranderd. De kinderen, 2 zoons, zijn nogal verlegen, dus dat ze het gezin terroriseren zoals Dolf en Marja hadden beleefd, valt nogal mee. Het weerzien is zeer hartelijk, alsof er geen 6 jaar heeft tussen gezeten. De 2 flessen wijn zijn, geleegd op het bed van het echtpaar, snel soldaat gemaakt. Voor ons een routineklus, voor Asit ligt het wat moeilijker. De alcohol doet z'n werk als snel en hij begint al behoorlijk met dubbele tong te lullen. De kwestie India-Pakistan wordt met vuurspuwende ogen fanatiek uit de doeken gedaan.
Sangreeta heeft voor ons een heerlijke vegetarische maaltijd gemaakt. Vlees is echt niet nodig.
Asit heeft voor ons de treinreizen naar Agra en Varanasi geboekt. De vliegreis van Varanasi naar Delhi is in de maak. Dit is voor ons een hele zorg minder.
Asit doet het volgens ons erg goed. Hij heeft zelfs plannen om in de politiek te gaan. Sangreeta geeft les op een kleuterschool aan pakweg 30 kinderen. Een leuke open vrouw van de wereld.
Asit stort bijna in, dus wordt er een taxi gebeld. Voor 200 rupies komen we weer veilig aan in hotel 55. We hebben inmiddels een andere kamer gekregen, beter zegt de hoteleigenaar, voor ons geen verschil. We vallen snel weer in een diepe slaap.


Woensdag 6 oktober

Weer prima geslapen. Onze sluitspieren hoeven nog geen overwerk te verrichten, alles onder controle. Asit belt rond 10.00 uur om te vertellen waar we onze vliegticket kunnen ophalen. perfect geregeld, toch? De tickets kosten US$ 110,-- per persoon, snel betaald met de Gold Card.
We kunnen ons nog niet oriënteren in Delhi. We denken richting Red Ford te lopen, een bouwwerk uit de Mogholtijd, gebouwd rond 1600. Het is warm en zweet loopt uit alle gaten van ons lichaam. We besluiten om een motorriksja te nemen. Stoer spreken we vantevoren een prijs af, 50 rupies. Het is onvoorstelbaar druk op de weg naar het Red Fort. Bij het fort aangekomen worden we als snel aangeklampt door de touts. We worden al meer bedreven in het stoïcijns doorlopen. Toch word ik bij het kaartjes kopen genaaid voor 136 rupies per persoon en ik betaal geloof ik 140. Je moet zo verschrikkelijk op je tellen passen, je wordt genaaid waar je bij staat.
Het fort is rood, zoals de naam al zegt, en dat is eigenlijk alles. Dus na een uurtje wandelen door de tuinen en paleizen staan we weer buiten. O ja, bij de ingang kregen we allebei een speldje opgeprikt, zogenaamd voor de kinderen. Of we even 50 rupies per persoon af willen rekenen. Alleen ik betaal 50 rupies en we lopen al kankerend weg, weer genaaid.
Het fort is gelegen in Old Delhi. De straat die daar naar toeloopt is een lange winkelstraat. Niet een straat zoals wij die kennen, maar een straat, je gelooft je ogen en oren niet. Wat je hier ziet is echt onvoorstelbaar, zo verschrikkelijk veel mensen: invaliden, winkeliers, dragers, scooters, riksja's, koeien en honden. Dit is voor deze mensen leven van dag tot dag, overleven dus. Er zijn op het ogenblik verkiezingen in India. Je vraagt je af wat de politiek voor deze mensen kan betekenen, waarschijnlijk niets. In deze straat zien we geen blanken, dus worden met die grote, bruine, flauwe en angstige ogen aangekeken. Het vreemde is, dat we door niemand worden aangesproken, geen tijd voor. Ze zijn bezig te overleven. Wat een getob: al die mannen die krakkemikkige karren vol met zakken graan of aardnoten door de slechte en vieze straten moeten voortduwen tussen de menigte door. Als Jezus het niet kan, hoe moet Krishna het dan in godsnaam doen voor deze paria's. Je voelt je gegeneerd om een foto te maken in deze poel van verderf, deze heksenketel.
Voor 20 rupies worden we weer afgezet op Connaught Circus, het centrum van New-Delhi. Wij pakken een pint, nemen een douche en Old Delhi tobt verder.
In een vegetarisch restaurant nemen we een heerlijke vegetarische maaltijd. Dat houden we erin. We gaan vroeg naar bed. Zo'n dag in een snikhete stad sloopt je wel en we moeten vroeg op. Om 5.45 uur worden we gewekt om de ochtendtrein van 7.15 uur naar Agra te halen.


Donderdag 7 oktober

Aangekomen bij het station Nuzameddin worden we op dit vroege uur weer overvallen door mannetjes die onze tassen willen dragen. We zijn in Lonely Planet gewaarschuwd, dus zijn we dubbel alert. De Taj-expres staat al klaar en onze namen staan vermeld op een aangeplakte computeruitdraai op de juiste wagon. We lopen naar onze plaatsen, nrs. 41 en 42 en leggen onze bagage boven in de rekken. Nog geen 10 seconden nadat we ons in onze met grijs skai beklede stoelen neergevlijd hebben, merken we dat het tasje met de fotospullen weg is. Kut! Kut! Kut! Hoe is het in Jezus' naam mogelijk, hoe hebben ze het geflikt die teringlijers. De passagiers naast en achter ons hebben ook niets gemerkt of gezien. Mijn humeur daalt tot 5,2 op de schaal van Richter. Alleen een naast ons zittende Sik-vader met een meisjesmongooltje krijgt mij nog aan het lachen. Maar ja, mongooltjes lachen altijd.
Ik heb geen oog meer voor het langs ons glijdende landschap (Ellen een ietsje meer). Veel mensen langs zo'n railwaytrack leven in diepe armoede.
Naarmate de tijd vordert, klimt m'n humeur naar een hoger plan, denkende dat het fotospul beter hier gejat kan worden dan in Amsterdam of Rotterdam. Hier wordt er een groep armoedzaaiers er waarschijnlijk beter van: de dief, de heler, de koper. Voor ons is het klote, we kunnen nu geen acceptabele foto's maken.
In Agra gaan we op zoek naar het politiebureau voor een proces-verbaal, zodat we de schade bij de verzekering kunnen claimen. Gelukkig is het politiebureau vlakbij. In een uitgewoond kantoor waar tientallen agenten rondlopen, proberen we ons verhaal kwijt te raken. De aan het plafond ronddraaiende ventilatoren maakt de ruimte ietwat sinister. We hebben nog geluk dat we in een engels sprekend land verblijven. In China of Zuid-Amerika hadden we de moed al opgegeven, denk ik. Ik krijg een stuk papier toegeschoven en een agent begint me te dicteren in het Indiase Engels:
'toen ik vanmorgen om 7.15 uur op de Taj-express naar Agra stapte, merkte ik dat mijn bagage was gestolen. Meneer, kunt al alstublieft een rapport opmaken van de gestolen spullen' enz. Ik moet het daarna nog een keer overschrijven. Menig rondhangend agentje bemoeit zich met het geschrevene. We dachten dat we een bureaucratie hadden meegemaakt in Kampala (Uganda), maar dit is een graadje erger. Mijn rapport wordt weer overgeschreven in een boek met 3 carbonnetjes. Na er 2 uur te hebben gezeten, wordt er uiteindelijk een handtekening gezet door de commissaris met een dikke stempel van het bureau.
Alsof er een soort radarnetwerk bestaat van de plaatselijke bevolking staat er al weer een mannetje klaar om ons naar de taxi te loodsen. Nu hebben we die toch nodig, dus komt het goed uit. Naast de chauffeur zit een man die zich direct ontpopt als persoonlijk adviseur en gids en biedt zijn diensten aan. Wat nu weer, denken we. De taxi brengt ons naar het door ons uitgekozen hotel, vlakbij de Taj Mahal. De gids heeft het voor elkaar gekregen, dat hij ons om 14.30 uur af komt halen om ons naar het fort en de Taj Mahal te loodsen.
Het hotel heeft een 10-tal rond een gazon gelegen huisjes staan, wat gemütlich aan doet. De kamer is groot met een groot hard bed. Airconditioning, tv en bad, niet gek voor 1300 rupies. Opgefrist en wel melden we ons bij de gids, die ons als eerste naar het fort (groter en imposanter dan in Delhi) brengt. Eenmaal uitgestapt, worden we weer belaagd door tientallen souvenirverkopers. Je wordt er gek van. Onderweg naar het fort nog even een fototoestelletje gekocht. Waarschijnlijk ook gejat, want het ziet er gebruikt uit. Maar ja, je moet wat! De prijs van de Canon is 2700 rupies, met 2 rolletjes en 2 batterijen. Zal wel weer te veel betaald zijn. We moeten toch wat assertiever worden, spreken we af.
Vanuit het fort zie je de Taj Mahal in de verte liggen, hij staat te schitteren in de zon, straks zullen we hem van dichtbij zien.
Na 3 kwartier door het fort gelopen te hebben, staat onze gids ons op te wachten om ons naar de Taj Mahal, een van de 7 wereldwonderen, te brengen. De gids vertelt ons de wetenswaardigheden die we eigenlijk al gelezen hebben. Zo'n 3 kilometer rond de Taj Mahal is alles scooter- en autovrij om het wonder vrij te houden van de enorme luchtvervuiling. Al lopende naar de westingang van het paleis loopt een klein soort Indiaas George Michael-achtig mannetje met een fototoestel om z'n nek met ons mee. Je voelt de bui al hangen. Hij laat ons wat resultaten zien van vorige slachtoffers. We denken dat we met ons zojuist aangekochte fototoestel niet een vergelijkbaar resultaat zullen bereiken, dus besluiten we toch maar op zijn avances in te gaan en besluiten dat we 1 foto laten maken met op de achtergrond de Taj Mahal. Assertief toch! George laat ons toch een aantal keren poseren op de door hem uitgekozen plekjes met de mededeling, dat als we de foto niet willen of niet mooi vinden, hem niet te hoeven nemen. En ja hoor, we betalen 800 rupies voor 22 foto's. Lekker assertief van ons en hij lekker agressief (noot Ellen: e.e.a. is toch wel te verklaren door het gebrekkige Engels dat dit soort figuren spreekt. Je denkt zo iemand te begrijpen).
De Taj Mahal is echt een wonder, gelegen aan de oever van een van de meest vervuilde rivieren ter wereld. Een wonderbaarlijke symmetrie rond de Taj van tuinen, verschillende ingangen en tempels. Dit zie je maar eens in je leven en dat proberen we ons in te prenten na al onze vervelende ervaringen van een paar uur geleden. Tegen zessen, als de zon begint onder te gaan, gaat de Taj schitteren zeggen ze. Het ingelegde marmer met topaas en koraal moet dan gaan oplichten, we geloven het. Inderdaad hij verkleurd naar spierwit naar roomwit.
De gids staat ons rond 18.15 uur weer op te wachten om ons terug te brengen naar het hotel. En passant rijdt hij nog even langs een tapijtwever en vraagt ons uit stappen. We doen het lekker niet! Het is jammer dat je zelf niet even in een winkel durft te kijken omdat we bang zijn dat we meteen weer met iets naar huis gaan wat we niet willen, we willen gewoon even kijken en niet kopen. Rot toch op!!
Morgen of de dag daarop wil hij ons nog wel naar de dodenstad Fatehpur Sikri, pakweg
40 km van Agra, brengen. We kunnen de boot iets afhouden en zeggen dat we het nog niet weten, goed hè! Voor vandaag betalen we hem zo'n 250 rupies, ongeveer 10 gulden.
Het hotel heeft een goed restaurant, dus hoeven we de slangenkuil, called Agra, niet in. We slapen wederom goed.


Vrijdag 8 oktober

Ellen doet wat vakantiewasjes en ontbijten daarna in het restaurant. Een met een zeer slechte hoest behepte ober moet regelmatig naar achteren om zijn longen leeg te hoesten. Lekker, zo'n ontbijt.
We begeven ons toch nog even in de slangenkuil en alle slangen weten we te bezweren, knap he! Het is bloody hot, het zweet vloeit heftig van onze lichamen ' o, moeder wat is het heet'. Na een uurtje kosteloos wandelen nemen we in het hotel een koude cola om het verloren gegane vocht weer aan te vullen. Het bij het hotel gelegen zwembad ziet er niet goed uit, dus zwemmen lijkt ons niet aanbevelenswaardig (lees veteranenziekte).
We zijn weer een beetje bekomen van onze negatieve gevoelens en kijken weer positief tegen India aan. We eten weer heerlijk vegetarisch voor nog geen 400 rupies, met drank, dus dat is niet veel. In de bar van het restaurant nemen we een dubbele whisky. We kijken nog wat tv op ons harde bed, en nemen een verfrissende douche en vallen in een diepe slaap.


Zaterdag 9 oktober

Om 10.00 uur worden we gebeld in onze kamer door de gids van onze 1e dag in Agra, die zoals afgesproken staat te wachten in de hal om ons naar de spookstad te brengen. We kunnen hem via de receptionist vertellen dat we besloten hebben om niet te gaan. Zo, daar zijn we makkelijk vanaf.
We moeten om 12.00 uitgecheckt zijn, dus pakken we onze tassen in en betalen het hotel, 2600 rupies. We nemen nog wat geld op en verdelen dat over de zakken.
Het is warm en bloedheet. We besluiten om als laatste groet toch nog even de Taj Mahal te bezoeken. We zijn nu op alles voorbereid en kunnen wat meer relaxter het 7e wereldwonder bekijken. Een motorriksja brengt ons naar de ingang. We betalen hem nog niet, dat doen we als we weer terug gaan. Op het binnenterrein van de Taj geven we nog een hand aan George Michael, die nog precies weet hoeveel foto's hij van ons gemaakt heeft.
Het is en blijft nog voor honderden jaren, hopen we, een fantastisch bouwwerk. Door de ongelooflijke eenvoud en symmetrie is het met recht een wonder. De Taj Mahal wordt niet alleen door buitenlandse toeristen bezocht. Het merendeel komt toch uit India zelf. Hare Krishna mensen, moslims, scholen met geüniformeerde jongens en meisjes. We weten niet wat het is, maar we schijnen aantrekkelijk te zijn voor die schoolkinderen en willen met ons op de foto, voor niks!
We lopen nog door een winkelstraatje waar marmeren spulletjes worden gemaakt en verkocht. We zouden best even de handgemaakte spulletjes willen bekijken maar we doen het niet, bang voor de agressieve verkoopmethoden van de uitbaters. We kunnen ze allemaal van ons afslaan, zelfs onze eigen scooterchauffeur die we niet meer herkend hadden. Hij ons gelukkig wel. Hij brengt ons netjes terug.
We eten nog wat en om 19.30 nemen we de taxi naar het Agra Cantt Station, alwaar onze slaaptrein om 22.15 uur zal vertrekken. We zijn ruim vantevoren op het station. Er heerst een sinistere sfeer op perron 1. Overal stalletjes met diverse koopwaar. Honderden mensen van verschillende pluimage krioelen door elkaar of zitten op het perron te eten met elkaar in een kringetje. Zodra er een trein binnenrijdt komt het station plots tot leven. Mannetjes die chai chai (thee, thee) roepen. Kruiers, ter herkennen aan hun oranje sjaals, slepen met grote koffers op hun dunne nekken. De weinige blanken worden met de donkerbruine ogen langdurig priemend aangekeken. Wat zou er in die prachtige koppen omgaan. De trein rolt een half uur te laat het station binnen. Onze coupe A1 is snel gevonden. Onze slaapplaatsen liggen in het verlengde van de trein boven elkaar. Tegenover ons zijn 4 slaapplaatsen haaks gelegen in de trein, gescheiden door een smal gangpad. Alles ziet er smoezelig uit. Tegenover ons ligt een oudere vrouw met een been in het gips en tegenover haar een vieze vette Indiër. We klinken onze tassen met het meegenomen fietsslot aan de banken. De vrouw tegenover ons schuift met een pijnlijk gezicht een tupperware schaaltje onder haar Indiase muts en begint te pissen. Haar zoon haalt gelukkig snel het neergezette schaaltje zeik voor onze neuzen weg. Het vette varken ligt al hevig te snurken en te rochelen. We proberen maar gauw in slaap te vallen.


Zondag 10 oktober

Rond 9.00 uur de volgende ochtend word ik wakker. Ellen is allang wakker. We hebben geen idee hoe ver de trein gevorderd is, maar als het goed is moeten we rond 11.00 uur in Varanasi aankomen. Het wordt uiteindelijk 18.00 uur, dus 7 uur vertraging. Dat zouden we in Holland niet pikken.
Het is al pikkedonker als we in Varanasi, de holy city voor de Hindoe's, aankomen. Het station ziet er nog spookachtiger uit dan in Agra. We worden direct besprongen door kruiers en taxichauffeurs. We geven niks af en geven niks toe. We hebben wel een taxi nodig om ons naar het hotel te brengen dat we in Lonely Planet hebben uitgekozen. De chauffeur probeert ons toch van gedachten te veranderen,maar we houden voet bij stuk.
Varanasi bij nacht is 3x zo erg als de 2 steden die we tot nu toe hebben gezien, onvoorstelbaar wat een gigantische ouwe teringzooi. Het hotel ligt aan de oever van de Ganges en is niet te bereiken de straat ernaar toe is afgesloten. De taxi kan zich geen weg banen door de straatjes in het oude gedeelte van de weg en daarnaast blijkt de volgende dag dat het water van de rivier zo hoog staat, dat we ook niet via het voetpad langs de rivier het hotel hadden kunnen bereiken. We belanden uiteindelijk dus toch in een ander hotel, maar niet de keus van de chauffeur. Met het gevolg dat we toch weer een hoger bedrag moeten afrekenen. In het hotel krijgen we een grote kamer met airco. Het ziet er niet al te schoon uit, vooruit maar, voor die 550 rupies. De douche is verkwikkend. We eten nog wat vegetarisch en kruipen in bed in onze zelf meegenomen dekbedovertrekken.


Maandag 11 oktober

We worden om 4.30 uur gewekt om de zonsopgang over de Ganges te zien. De oude stad is nauwelijks tot leven gekomen. Het is maar goed dat we geen hotel in deze buurt genomen hebben. Het is er verschrikkelijk vies, iedereen kakt, piest en kotst in de smalle steegjes naar de Ganges toe.Schurftige straathonden proberen tussen het afval een maaltijdje bij elkaar te snuffelen en de heilige koeien doen zich tegoed aan de weggegooide kranten. De koeienvlaaien die ze blijkbaar uit dit voedsel nog kunnen produceren worden verzameld door vrouwen die ze tegen de muren aan plakken om ze te laten drogen. Het gedroogde stront wordt later weer als brandstof gebruikt, recycling heet dat.
We gaan met een houten sloep het water op. Nou ja, water, het is meer stront, een heftig stromende bruine emulsie die oostwaarts trekt. De Hindoes wassen zich in deze rivier en verbranden hun doden op de oevers.Als de lijken min of meer verbrand zijn dan worden de resten in de rivier geschoven.Dit gaat dus aan de lopende band. De familie van de zeer arme doden zijn eigenlijk niet in staat om de juiste hoeveelheid hout te kopen om hun geliefde in z'n geheel te kunnen verbranden, dus komt het veel voor dat niet geheel verbrande resten hun weg vinden in de rivier, je moet dus niet gek opkijken als je een half verbrand lichaamsdeel ziet langs drijven.
Bij het opkomen van de zon is het prachtig de honderden badende Hindoes te aanschouwen.
Ze nemen echt slokken water om hun kelen schoon te gorgelen en hun rode tanden te poetsen. Veel Indiërs kauwen op een soort kruid waar ze rode tanden van krijgen zoals wij op kauwgom kauwen. De baders zien er gelukkig uit, het is voor hun, de Hindoes, de heilige rivier waar ze een keer in hun leven in gezwommen moeten hebben. Het bekende Indiase spreekwoord luidt dan ook: eerst in Varanasi baden en dan sterven. Dat sterven zal na zo'n bad snel gebeuren, denken we zo.
We varen er met de sloep vlak langs de badende mensen zijn zo in trance dat ze ons nauwelijks zien.
Deze fantastische toeristische trekpleister van wereldfaam ziet er vervallen en goor uit. We weten niet hoe lang dit nog in stand zal blijven. Jammer dat we niet die foto's kunnen maken die we in gedachten hebben.
Het eten van gisteravond heeft onze darmen doen besluiten om in plaats van een stevige bolus er een waterige spuiter van te maken. Misschien wel zo makkelijk voor de rivier waar volop uit gedronken wordt. We brengen nog een bezoek aan een tempel en aan een authentieke zijdeweverij en worden overgehaald toch wel wat zijde te kopen. Rond het hotel hoor je het ritmisch gekletter van de weefgetouwen. Ongetwijfeld kinderarbeid.
Varanasi is een bijzonder stukje wereld. Jammer dat we niet langer kunnen blijven. De taxi brengt ons naar het vliegveld. Heel veel oudere Japanners lopen er rond, ze hebben iets met Varanasi, iets met het geloof. Om 17.00 uur stijgt het vliegtuig op. We krijgen nog wat te eten voordat we een tussenstop maken in Lucknow. Of het nu van de airco komt in de hotels, vliegtuig of trein, ik voel een fikse verkoudheid opkomen.
Op Delhi airport nemen we een prepaid taxiticket, 132 rupies, wat nogal wat scheelt met de 1e keer. We worden hartelijk ontvangen in hotel 55, onze basis. Ik krijg het 's nachts behoorlijk in de keel en slaap slecht.


Dinsdag 12 oktober

Het vele reizen met de trein neemt toch te veel tijd in beslag. We besluiten om na het bezoek aan Kulu een auto met chauffeur te huren. In principe spreken we zoiets af met een man via het hotel. In het hotel hebben we nog een leuk gesprek met Chris, een Amerikaanse fotograaf. Omdat hij vaak vrienden in Nederland bezoekt, spreekt hij ook een beetje Nederlands. Op dit moment verblijft hij 4 maanden in India, daarna gaat hij 6 jaar naar Argentinië om een opdracht uit te voeren.
In Delhi nemen we via een zeer geavanceerde flappentap nog wat geld op bij de Citibank. Om precies 17.45 uur worden we opgehaald door Asit om nog een keer bij hem te eten. Asit laat ons de omgeving zien waar alle parlementsgebouwen staan, zeer breed en groots opgezet. Over Delhi hangt een dikke deken van uitlaatgassen. Slecht voor m'n keel.
De jongens zijn al een stuk vrijer, maar blijven rustig.We nemen wat foto's voor het nageslacht en vertrekken met de taxi naar het station.
We moeten de trein van 22.15 uur hebben op het station van Old Delhi. Er heerst weer een enorme chaos rond dit stadsgedeelte. De taxichauffeur komt maar nauwelijks door de menigte heen. Om 22.30 uur staan we eindelijk op het perron. De trein is er gelukkig nog niet. Op het elektronisch bord staat, dat de trein naar Kalka nog niet is gearriveerd. Wanneer dan wel staat niet vermeld. Dezelfde chaos, dezelfde sinistere omgeving. Om 10.50 uur loopt onze trein binnen, dus de vertraging valt nogal mee. We horen dat ie gisteren helemaal niet is komen opdagen. We zoeken onze slaapplaatsen en leggen onze tassen weer aan de ketting.


Woensdag 13 oktober

Klote geslapen, m'n verkoudheid heeft zich verplaatst van m'n keel naar de bronchiën. Bij iedere beweging een hoestbui, ik voel me kut.
Rond 05.00 uur lopen we het station van Kalka binnen. Een net, schoon en overzichtelijk station. Misschien nog te vroeg om chaotisch te willen zijn. De porters, die wel op zijn, bespringen ons van alle kanten. Het brede spoor gaat in Kalka over in een smal spoor naar Shimla. Ons treintje staat al klaar. Een wagonnetje met pluche beklede stoelen die hun beste tijd hebben gehad. Net als in een vliegtuig krijgen we een hapje en een drankje, onverwacht plezierig. Het treintje trekt zichzelf naar grotere hoogten. Het ziet er allemaal wat vriendelijker uit. Het treintje rijdt zo langzaam, dat we er behoorlijk lang over doen om Shimla te bereiken.
We overnachten in hotel Classic in Shimla. Wat er klassiek aan is zien we niet zo gauw. Shimla is een plezierig stadje is de heuvels. Het is er druk met alleen maar paraderende mensen tussen de super-engelse bebouwing. We kopen het 2e flesje hoestdrank om de prikkel wat weg te nemen.


Donderdag 14 oktober

We worden gewekt om 07.00 uur, want we hebben de luxe touringcar geboekt naar Kulu. Na veel administratief gedoe rijden we eindelijk weg. De luxe in deze varkensbus is ver te zoeken: slechte stoelen, alles vies en vuil en een hevig toeterende chauffeur. De rit is zeer oncomfortabel, zeker als je je niet helemaal tof voelt. De chauffeur rijdt als een wilde en blaast iedereen voor hem met z'n toeter van de weg. Onderweg wordt de versnellingspook vervangen en een band verwisseld. We doen er dus gewoon 10 uur over om in Kulu te komen. We stappen als enigen uit. De rest rijdt door naar Manali, de residentie van de Dalai Lama, geestelijk leider in ballingschap. Zij moeten nog 34 zware kilometers in het donker de bergpas op.
Het uitgezochte hotel hebben we snel gevonden. Een oud hotel, een hoop vergane glorie. We krijgen een grote kamer met uitzicht op de bergen en de rivier. We eten spaghetti Bolognese, da's weer eens wat anders. We beloven onszelf een goede nachtrust.


Vrijdag 15 oktober

Tot onze grote teleurstelling komen we er achter, dat het Dussehrafestival de 20ste oktober begint. En onze reis naar Kulu was op dit festival afgestemd, zo rond de 17 oktober. Jammer, want dan zijn we al weer op de terugreis. De voorbereidingen voor het festival zijn in volle gang, ook leuk om te zien. Er zijn zelfs al artiesten gearriveerd. We krijgen een prive-voorstelling van 2 kleine jochies, eentje met een trommel en de kleinste die op het getrommel danst. Op zijn koppie draagt hij een klein petje met daar bovenop een touwtje met een steentje en op zijn vuile gezichtje heeft hij een grote hangsnor geschilderd. Op de maat van de muziek slingert het touwtje in de rondte. Ze doen samen nog wat acrobaatkunstjes. We geven het stel 10 rupies. Op het festivalterrein zijn tientallen mensen bezig hun stands klaar te maken, allemaal prachtige mensen. Een klein meisje danst koord, een goochelaar doet iets met een slang en een bunzing. Het lijkt wel de Middeleeuwen. Het bevalt ons wel in Kulu, ook al maken we het festival niet mee. M'n hoest komt iets los, Ellen is een beetje aan de schijterij maar verder gaat alles goed.


Zaterdag 16 oktober

Het weer in Kulu is volgens ons altijd fantastisch., frisse lucht, een heerlijk zonnetje. Nog een geluk bij een ongeluk, dat m'n verkoudheid hier een beetje kan slijten. Ik moet er niet aan denken als dat in Delhi of een andere grote stinkstad had moeten plaatsvinden.
Vandaag gaan we met de taxi naar de heilige heetwaterbronnen in Manikaran, ergens in de Kulu vallei gelegen. We bestellen de taxi bij een boekingskantoortje.. De dienstdoende taxibaas roept wat in onverstaanbaar Hindi, waar een tiental taxichauffeurs op reageren en naar het loket stormen. De taxichauffeur die het snelst reageert, heeft de rit. Te vergelijken met onze schippersbeurs.
Om 10.00 uur rijden we weg in een redelijk comfortabel zittend minibusje. Kulu Valley is zoals beschreven in Lonely Planet van onbedorven schoonheid. Er zijn in Zwitserland en Oostenrijk mooiere valleys, maar die zijn veel gecultiveerder. De smalle bergweg is slecht en vol met gaten en kuilen. De chauffeur laveert met grote vaardigheid langs alle obstakels. De inheemse bevolking van Himachal Pradesh heeft duidelijk Chinese trekken. Ze zien er prachtig uit met hun gelooide, glimmende en bruine gezichten. We komen van alles tegen, ook grote kuddes schapen met vele lammeren.
Manikaran ligt geplakt tegen een bergwand aan de andere zijde van de kloof. Via een hangbrug komen we in het kleine oude bergdorp. Alles loopt er rond: koeien, ezels, straathonden en vooral prachtig uitgedoste mensen. De sadhu's, met hun lange haren en baarden en prachtige kleding, zijn helemaal prachtig om te zien. Deze mensen hebben hun gezin, familie, huis en werk achtergelaten om de rest van hun leven door India te zwerven waarbij zij op zoek zijn naar de ware spiritualiteit.
We kopen wat sieraden voor een habbekrats. De heetwaterbronnen zijn ombouwd met een soort badhuizen, waar de Hindoes en sadhu's hun heilige bad kunnen nemen. Wij doen alleen even onze voeten in het behoorlijk hete water. Een tandeloze sadhu past op onze schoenen. Ellen rookt nog even een shaggie met een aantal sadhu's, je moet wat. Een prachtig stekkie daar in Kulu Valley. In deze omgeving kom je ook nog een aantal achtergebleven Europeanen tegen die zijn blijven hangen na de zestiger jaren, toen India bij de hippies helemaal in was.
Een leuke dag, ondanks het feit dat ik me niet helemaal tof voel. Ik hoest me te pletter, maar er komt niets los.


Zondag 17 oktober

Na een onrustige nacht, veroorzaakt door zeehondengeluiden naast me in bed, op ons gemakkie opgestaan en ontbeten op het dakterras. Jan gaat na het ontbijt nog even plat en ik ga heerlijk in het zonnetje zitten lezen.
's Middags gaan we via een voetpad en voetbruggetje de andere kant van Kulu verkennen. We komen terecht in de wijk van de loosers, zo'n sfeer hangt er. Dus zijn we zo weer terug.
Daarna nog even een rondje over de velden waar gestaag voortgebouwd wordt aan de festivalbouwsels. Op het ene veld worden allemaal vierkante stands van golfplaatijzer in elkaar getimmerd. Zo te zien worden dit allemaal kraampjes van de lokale (en interlokale?) winkeliers. Tussen de 2 velden door loopt de weg (highway). Op de gigantisch hoge stoep, waarlangs een hele vieze goot loopt, vinden de minder bedeelden een plekje. Het kraampje bestaat uit alleen maar een stuk zeil als dak. Overal hebben ze een oven van klei boven een gat van ongeveer een halve meter diep gemaakt, dat ze naast de stoep gegraven hebben. In deze tentjes worden allerlei enge vette baksels verkocht. Volgens mij slapen die verkopers hier ook. Aan de andere kant van de weg is het grootste veld, dus ook de grootste chaos. Er is een gigantische markt: meerdere rijen van ongeveer 200 meter lang met een soort opklapbare bedden. Op deze bedden ligt alle mogelijke koopwaar uitgestald: kleding, keukengerei, boekies, eten en rotzooi. Een ander gedeelte van het veld wordt in beslag genomen door grotere en kleinere tenten, zelf in elkaar geflanst of door de gemeente neergezet. Hier zitten de meeste vrouwen en krioelen de kinderen. Tenslotte is er nog ruimte voor de kermis gecreëerd. Deze bestaat uit 3 kleine reuzenradjes en zo'n grote schommelboot.
Dit zie je dus op het ene veld. Maar daar blijft het niet bij: duizenden mensen lopen hier rond te scharrelen. Samen met wat van die circusartiesten en wij, de 2 bleekscheten. Dit alles te midden van grote opdwarrelende wolken stof, want de grassprietjes op dit 'veld' zijn te tellen.
Na deze impressie van Kulu gaan we morgen weer richting Delhi. Ik ben er niet helemaal gerust op, want we hebben hier helemaal geen vliegveld gezien of een vliegtuig gehoord. Volgens ons is er geen ruimte tussen de bergen voor een beetje landingsbaan. We zullen het morgen zien.


Maandag 18 oktober

We moeten Kulu vaarwel zeggen zonder dat we het festival hebben meegemaakt. Ach, je kan niet alles hebben in het leven. De frisse schone berglucht heeft m'n verkoudheid niet weg kunnen blazen.
We twijfelen nog steeds of Kulu wel een vliegveld heeft. Misschien bestaat er nog ergens in Zuid-India een Kulu? En wat blijkt: na een ritje van 10 kilometer worden we door een taxi afgezet bij het vliegveld. Gelukkig klopt alles, onze namen staan vermeld op de passagierslijst. Om 10.30 uur landt er een krakkemikkig 2 motorig propellervliegtuigje met bovenliggende vleugels op het landingsbaantje. Het merk is Dornier 228, een lelijk ding waarschijnlijk van Franse of Canadese makelij. De security-procedures gaan volgens voorschrift: voor iedere handeling een aparte official. Er gaan met de piloot en de stewardess 20 mensen in het vliegtuig. Een Indiaas gezin, een wat oudere man met een jongere vrouw en 2 Amerikaanse vrouwen, moeder en dochter denken we. We zullen het toch moeten doen met deze mensen als we op een verlaten berghelling een noodlanding moeten maken. Wie zal overleven? Het vliegtuigje schudt hevig bij de start, maar kiest toch vrij snel het luchtruim. We vliegen tussen de bergen door en blijven vrij laag. De stewardess brengt bukkend de verplichte versnaperingen rond. Voor US$ 145 per persoon mag je toch wel wat krijgen.
Ruim voordat we Delhi naderen begint de verschrikkelijke smog zichtbaar te worden. We kunnen nauwelijks nog de grond zien. En wij in Nederland maar de milieuvervuilingsgrens naar beneden brengen. Rond 13.00 uur staan we weer veilig aan de grond. De verkoudheid in m'n kop heeft tijdens het landen m'n rechteroor nagenoeg doof gemaakt.
De man die voor ons de laatste 13 dagen voor vervoer gaat zorgen staat zoals afgesproken op ons te wachten. In Delhi handelen we met hem de financiën verder af. Taxi met chauffeur voor 13 dagen kost US$ 500.
In hotel 55 worden we weer hartelijk begroet. Bij de drogist toch maar antibiotica gekocht.


Dinsdag 19 oktober

Onze chauffeur, we denken een vriendelijk pikkie van een jaar of 25, staat ons om klokslag 7.00 uur op te wachten. We noemen hem voorlopig maar even Sunday, maar hij heet anders.
De oude Ambassador met airco rijdt niet harder dan 70 km/uur. Wel zo veilig, hoewel met inhalen? Onze 1e stop is in de Pink City, Jaipur. Het landschap onderweg is niet fantastisch, maar de mensen die zich langs zo'n highway nestelen wel. De eerste kamelen passeren we reeds, Rajhastan komt in de buurt. De weg ligt bezaaid met plat- of aangereden honden.
Alles gaat goed, Sunday weet ons veilig door het drukke vrachtwagenverkeer te loodsen. We stoppen even bij het plaatsje Amber waar een enorm fort over een bergrug ligt gedrapeerd. We kunnen met een olifant naar boven, doen we niet. Het is druk en warm, het omhoog lopen geeft me ademnood. Veel toeristen. Maar weinig blanke toeristen. India gaat niet goed om met de historische monumenten. Je mag overal op af, ze spugen hun rooie klodders in de hoeken van het witte marmer. We weten eigenlijk niet wat we ervan moeten denken.
Daarna lopen we in de Pink City met de prachtige historische gebouwen, maar alles is zo vies, vervuild en verwaarloosd. De mensen er omheen, de drukte, de winkels, de koeien, kamelen, het is een lust voor het oog en af en toe een walging voor de neus. Maar stel dat je dit schouwspel aan banden zou leggen, de gebouwen opknapte en het verkeer uit de straten zou weren, nee dan is het geen India meer. Dit hoort gewoon zo, dit gaat al jaren zo en hopelijk zal dit nog jaren zo blijven.
Tijdens het kopen van een handgeborduurd tafelkleed en een broek brengt Ellen haar afdingingservaringen met succes in praktijk, pittig wijffie hoor!.


Woensdag 20 oktober

Sunje, volgens ons z'n echte naam (hoewel aan het eind van de vakantie blijkt dat het Sunju is), staat ons om 08.00 uur op te wachten. We rekenen de kamer af, 550 rupies, en gaan op weg naar Jodhpur. Het is ongeveer 400 km rijden en met een gemiddelde snelheid van 50 km per uur verwachten we rond 16.00 uur aan te komen. Ellen heeft reeds 2 nachten gereserveerd in het hotel waar Dolf en Marja ook verblijven.
Het is druk op de Indiase highway, zoals ze deze 2 baans asfaltstrook noemen. Heel veel vrachtverkeer, bussen en ander rijdend materieel. Het inhalen op deze wegen is een kunst op zich. Het scheert rakelings langs elkaar heen. Dat het ook wel eens fout gaat zien we aan de vele autowrakken en gekantelde vrachtwagens. Gelukkig hoeven we zelf niet te rijden, Sunju weet hoe het moet. Buiten is het heet, in de auto lekker koel, de airco is een goeie keus. Het landschap is niet bijzonder. Vrij vlak en veel akkerbouw. Bij Ajmer beginnen er wat bergen te ontstaan, wat rond deze stad een marmerindustrie tot bloei heeft gebracht. Het marmer, dat een kostbaar gesteente is, wordt kriskras uit de bergen gezaagd. Ze gaan gewoon door tot alles plat is.
In de verte zien we het enorme fort van de Suncity Jodhpur al liggen. Jodhpur lijkt wat georganiseerder. Ons hotel ligt vlakbij het vliegveld en vele militaire kazernes. Het is een vrij modern en nieuw hotel. Een oude Rajhastan, goedgemutst met een oranje tulband en lange baard, brengt ons naar de chique kamer.
Rond 18.00 uur komen Dolf en Marja binnen. Hoe is het mogelijk, zo ver van huis. Dolf en Marja zijn in Jodhpur voor zaken en zijn de hele dag op pad geweest met de fabrikanten van kasten en tafels. Dolf en Marja kennen hun pappenheimers, maar moeten toch nog steeds op hun tellen passen.
Wij gaan eten bij "On the rocks", een vrij sjiek restaurant. Lekker gegeten, maar nog nooit zo veel betaald, 1800 rupies met z'n vieren. In feite nog niet veel, maar wel voor Indiase begrippen.
Terug in het hotel komen we tot de ontdekking, dat in een belendend perceel een hindoestaanse karaoke met keiharde muziek en vals zingende mannen aan de gang is. Moeilijk om bij in slaap te vallen.


Donderdag 21 oktober

We worden al vroeg gewekt door het enorme lawaai van opstijgende straaljagers. We ontbijten met z'n vieren op het terras. Dolf en Marja worden al weer opgewacht door een zakenrelatie en wij door Sunju.
Hij brengt ons vandaag naar het oude fort boven op de heuvels. Een enorm complex en het ziet er zeer imposant uit. Dit is terecht het mooiste fort in Rajhastan. Alles ziet er vrij goed geconserveerd uit, je kan niet overal op af. Hebben ze toch nog een beetje geluisterd. Daarna gaan we naar een op een andere heuvel gelegen wit marmeren paleis, waar hevig gebeiteld wordt. Ons derde bezoekje is de klokkentoren met daaromheen de markt. Het is een zeer kleurrijk schouwspel. Prachtig geklede vrouwen in felle kleuren, mannen met kamelen, heilige koeien. Kortom, een feest voor het oog, een soort Alibaba decor. Het is warm en het zweet loopt van onze ruggen. Als laatste gaan we naar het nu nog bewoonde paleis van de Maharadja van Jodhpur. Het is een enorm van bruin zandsteen opgetrokken gebouw. Nog niet zo oud, 1927, maar zeer imposant. De ene helft is museum, een ander gedeelte een zeer sjiek hotel en de rest is voor de familie Singh, je moet wat, niet waar? Sunju brengt ons weer terug naar het hotel. Ik doe nog een tukkie en Ellen gaat wat lezen bij het zwembad.
Om 19.00 uur gaan we met z'n vieren in onze taxi naar een restaurant in het oude centrum van de stad. Na het eten drinken we samen met Sunju nog een whisky in de bar.


Vrijdag 22 oktober

Na het gezamenlijke ontbijt nemen we afscheid van Dolf en Marja. Wij gaan naar Jaisalmer en zij gaan nog een dagje zaken doen. Het hotel kost 1650 rupies per nacht, wat het ook wel waard is.
De weg naar Jaisalmer is mooi, een afwisselend landschap glijdt aan ons voorbij. Je kan merken dat we dichter bij de Pakistaanse grens komen, want het aantal legerconcentraties en -bewegingen komt frequent voor. Halverwege stoppen we bij een wegrestaurant. Een volle bus Nederlanders is reeds neergestreken. Je ziet er sowieso in dit land als een toerist uit, maar deze groep accentueert dit nog een beetje. Dit zijn vast de groepsreizen georganiseerd door Aap of Djoser. Dit willen wij toch echt niet. Een 2e bus komt binnen, ook Nederlanders. Erg hoor, gauw weg wezen.
In de verte zien we het fort van Jaisalmer op de berg liggen. Sunju heeft wat anders op het oog, waar wij meteen mee akkoord gaan vanwege al die bussen die ook al op weg zijn naar Jaisalmer. Khuri ligt 40 km ten zuidwesten van Jaisalmer, midden in de Indian Desert. Rond 16.30 uur rijden we Khuri binnen, een desolaat uit zandsteen opgetrokken zanddorp. We gaan slapen in Mama's Guesthouse. We worden in de schaduw gezet met een fles Kingfisher (bier). Ik geef nog even een hoestbui ten besten, waarna ik direct te hulp word geschoten. Ik word gemasseerd door een betulbande en besnorde Rajhastani en krijg opium toegediend, zo gaat het over zeggen ze. Er zijn nog meer buitenlanders, maar die blijven niet overnachten. Mama's Guesthouse bestaat uit 3 met riet bedekte hutten en een grote eethut, ommuurd door lemen gekanteelde bouwsels met gekleurde lampen erin verwerkt. We besluiten om de nacht buiten door te brengen onder de prachtige sterrenhemel. Een paar kereltjes slepen de bedden naar buiten. Ik word al snel wakker gemaakt door een felle schreeuw van Ellen. Ik kan me niet direct oriënteren. Ellen is wakker geschrokken van een hond, denkt ze, die over de omheining was geklommen.


Zaterdag 23 oktober

De regelneef Singh komt met ons een aantal dingen afspreken voor de Camelsafari van 2 dagen, alsmede de prijs. We betalen nog geen 4000 rupies waarbij alles is inbegrepen, inclusief de overnachting en eten bij Mama's Guesthouse.
We worden gemaand ons snel klaar te maken voor het vertrek van de Camelsafari. De tassen gaan snel in de achterbak van de taxi, nadat we snel wat spulletjes voor de nacht gepakt hebben. Twee kamelen liggen al bepakt en gezakt klaar, samen met 2 begeleiders. Een besnorde en betulbande oudere man van 55 en een besnorde jongere man van 25. De jongen van 25 spreekt zeer slecht Engels en daarbij heeft hij ook nog een handicap: hij hakkelt heel erg, dus je verstaat er eigenlijk geen klote van. De oudere man spreekt gebrekkig Engels, dus het zal gezellig worden met die twee.
We lopen met de kamelen aan de hand samen met Charley de hakkelaar en het 'licht van God' (de ouwe) het dorp uit en de desert in. Buiten het dorp worden de dieren met geruisloze tekens gemaand te knielen, zodat we op hun ruggen kunnen gaan zitten. Ellen krijgt Charley achter haar en ik de ouwe. De kamelen lopen in een soort slowmotion tred, rustig en kalm. In een woestijndorpje stappen we weer af. Het gaan zitten en opstaan van de dieren gaat schoksgewijs: eerst de voorpoten, dan ga je plots omhoog, dan de achterpoten, dan ga je plots naar voren. Het is onvoorstelbaar hoe deze bedoeïenen in deze hitte zonder elektriciteit en met een waterput zich in leven kunnen houden. In een van de hutten is kortgeleden een meisje geboren. Ze is 2 weken oud en wordt net in bad gedaan. Wat voor toekomst gaat ze tegemoet, een woestijnleven? De mensen leven tussen omheinde lemen muurtjes met kantelen en lemen hutten met strooien daken. Het is er heet en stoffig.
Rond 12.30 uur worden de kamelen afgetuigd en met vastgebonden voorpoten de desert in gestuurd. Onder een giftige oude woestijnboom worden de kleden neergelegd, we gaan lunchen. Charley is hiervoor verantwoordelijk, de ouwe gaat wat stenen en hout zoeken voor het vuur. Als Charley iets probeert uit te leggen gaat eerst zijn snor hevig heen en weer en met gesloten ogen komt er na 30 seconden onverstaanbaar Engels uit z'n mond. We knikken maar ja. Van de meegenomen jerrycans, ouwe Gastrol oilcans gevuld met ondoorzichtig waterputwater, krijgen we een kopje thee met suiker geserveerd. Zelf hebben we 5 bottles mineraalwater meegenomen, dat moet genoeg zijn. Het vuurtje doet het zeer snel en de 2 meegenomen koperen ketels worden gevuld met olie, water en verse gesneden groente. Bij het maken van de chapati zie ik dat Charley een bloedende vinger heeft, waarbij hij het bloed net zo makkelijk meekneedt met het deeg. Aids is hopelijk niet op deze manier overdraagbaar, denken we. Het eten is pittig en redelijk te kanen. Charley en de ouwe maken de ketels weer schoon met woestijnzand en maken een middagdutje, wij ook.
Rond 15.30 uur wordt alles weer opgeladen. De zon is inmiddels wat zwakker geworden. Het is bijna zonsondergang als we ons nachtkamp gaan opslaan. De opkomende maan en de ondergaande zon maken van deze verlaten vlakte een bijzondere omgeving. Charley gaat weer koken, de ouwe zoekt hout en de kamelen worden het bos ingestuurd. Deze woestijn is toch nog redelijk begroeid met struiken en bomen in lichtgroene en grijsachtige kleuren, met daar door heen het goudgele zand, mooi dus. De ouwe strijkt het zand glad en maakt een bedje voor ons. Na ons diner, dal en door Charley gebakken broodjes, kruipen we al snel in onze dekbedovertrekjes. Er komt nog wat bezoek van herders bij het kampvuur. Een aanbod om ook wat 'wijn' te komen drinken slaan we af. We zijn al blij als we zonder de 'wijn' alles doorstaan in goede gezondheid. Al kijkend naar de sterren en luisterend naar het gekeuvel bij het vuur vallen we in slaap.


Zondag 24 oktober

Toch wel vaak wakker geweest. Het zand is erg hard. Om 6.45 uur opgestaan, gelijk met de zon. Het kost de ouwe een uur om de kamelen weer op te snorren. Charley begint met het zetten van thee en maakt eten. De kamelen worden weer opgetuigd. De sanddune verlaten we lopend, omdat het erg steil is voor de kamelen. Beneden stijgen we weer op.
We beginnen het al een beetje zat te worden en willen eigenlijk rechtstreeks terug naar Khuri. We hebben alleen geen idee hoe ver het is en als we het vragen krijgen we de meest uiteenlopende antwoorden. Ze begrijpen ons gewoon niet. Ze kunnen zelf enkele woorden Engels brabbelen, maar zodra we wat vragen begint de snor ontzettend op en neer te wippen en krijgen uiteindelijk een antwoord dat nergens op slaat.
Na 2 uur hobbelen en nog een dorpje strijken we op een heel mooie plek neer voor de lunch. We zeggen nog dat we geen honger hebben, maar Charley wil perse dat we nog wat van z'n kookkunst genieten. Alle zakjes komen weer tevoorschijn: thee, kruiden, meel aardappels en groente. Het duurt ongeveer 2 uur voordat een dergelijke maaltijd klaar is. En pas als wij gegeten hebben, gaan zij eten. Ze vreten gewoon alles op wat over is.
Meteen na het eten maken we nogmaals duidelijk, dat we terug willen naar Khuri, dus dat we het middagdutje overslaan. Ze vragen ons wel 10x of we geen last zullen hebben van de hitte, maar we willen gewoon niet langer blijven hangen op onze deken. Dus: kamelen weer opgetuigd en op weg. Het is inderdaad ontzettend heet, maar na de eerste zandheuvelrug zien we Khuri liggen. Na ongeveer 3 kwartier komen we aan. Koude cola en shaggie (niets gerookt omdat we vloeitjes vergeten waren). Afgerekend en op weg naar Jaisalmer, na afscheid genomen te hebben van onze 2 vrienden. De ouwe was wel een beetje verliefd op Jan.
Eenmaal terug van de safari denk je: waarom doe je eigenlijk zoiets? Toch wel ontberingen hier en daar, eten en slapen is niet optimaal. Maar het gaat gewoon om het idee, dat je in de woestijn onder de blote hemel de nacht hebt doorgebracht. Dat is het toch wel allemaal waard.
Sunju raadt ons hotel Sona in Jaisalmer aan, omdat hij daar volgens ons gratis kan slapen. Na een verkwikkende douche slepen we onze vermoeide lijven naar het dakterras met een prachtig uitzicht op het fort, waar we behoorlijk te eten krijgen. Daarna weer vroeg naar bed.


Maandag 25 oktober

In het niet al te beste hotel met het hardste bed tot nu toe toch wel redelijk geslapen. Wat wil je na 2 onrustige nachten onder de blote hemel. Na het ontbijt in een rare eetzaal waar regelmatig een Djosergroep vertoeft, brengt Sunju ons naar het fort.
Het is weer bloedheet. Bij het fort aangekomen worden we direct besprongen door de gidsen en ander gevogelte. We hebben ze niet nodig, we doen het zelf. Als je het fort van een afstand bekijkt, is het net een rij omgekeerde plastic emmertjes zand, zoals je dat vroeger deed op het strand. Binnen het fort, zo'n 80 meter boven Jaisalmer gelegen, is het een grote kermis van handelaren in tapijten, zilver en andere souvenirs. Als je dat allemaal zou weg denken en je loopt door de middeleeuwse straten met de open riolen samen met het vee en de prachtig gekleurde Rajhastani, dan is het inderdaad een sprookje uit 1001 nacht. Maar helaas, het fort is een enorme toeristische trekpleister. Veel hindoestanen komen naar de Jaintempels die voor buitenlanders niet toegankelijk zijn. Vrouwen, die ongesteld zijn mogen ook niet naar binnen. We hebben het al gauw gezien. Sunju brengt ons nog naar het oude gedeelte buiten het fort van Jaisalmer. Hier staan de oude koopmanshuizen, de zogenaamde haveli's.Prachtig bewerkt huizen met balkonnetjes, rijk versierde deuren, vele verdiepingen, allemaal prachtig gemaakt. Maar helaas allemaal volgepropt met handelslui die je van alles willen verkopen. Mooie spullen maar niet onze smaak.
Terug in het hotel is er weer geen water, eigenlijk gewoon een kuthotel. 's Avonds brengt Sunju ons naar een door hem uitgekozen restaurant. Het eten is niet geweldig. Bij een hevig in de hoorn hoestende telefonist bellen we even naar huis, alles goed.


Dinsdag 26 oktober

Rond 08.00 uur rijden we weg richting Bikaner. Ellen heeft bedacht dat we gaan overnachten in een paleis van de maharadja, even voor Bikaner. De weg ernaar toe loopt dwars door de Indian Desert en is erg eentonig. De Ambassador rammelt en hobbelt over een slechte asfaltweg.
Het Gajner Palace wordt het juweeltje in de Thar Desert genoemd, gebouwd door maharadja Ganga Singhji van Bikaner en gelegen aan een privemeer. Een nachtje kost 3000 rupies. Het ziet er prima uit. Het hele complex wordt op het ogenblik gerenoveerd. Het omringende park heeft prachtige bomen met wijd uitgespreide wortels. De papegaaien en ander rond vliegend wild maken dat je je in een volière waant.
We nemen uitgebreid een douche en gebruiken alle klaarstaande potjes shampoo, douchecreme, etc., lekker Hollands. De kamer is heel mooi, met een groot bed met eindelijk zachte matrassen en 4 kussens. Dit belooft wat.
Rond 19.30 uur hebben we bij een van de vele rondlopende getulbande bedienden ons diner besteld. Tijdens het lopende diner heeft zich op het podium een Rajhastaanse band neergevlijd, 4 mannen en 3 prachtig geklede vrouwen. Rajhastaanse muziek is heel oud maar kan ons niet bekoren. De meisjes dansen met potten op hun hoofd en lopen over glas en staan op zwaarden, we weten niet of dit Rajhastaans is. Twee van de mannelijke leden lopen mank, of dat te maken heeft met over glas lopen weten we niet maar we denken van wel. Twee Duitse homo's, een Scandinaviër, een groep Fransen en wij zijn de toehoorders. Een van de Fransen, een ouwe dikke kerel, ziet er uitgedost uit als Livingstone, Speak en Stanley destijds. Geen gezicht, z'n jongere vrouwtje zal dat voor hem uitgezocht hebben. Een van de Duitse homo's doet ons aan Syb denken. Wij zijn natuurlijk de leuksten.
Het eten is geweldig, heerlijk van smaak, voor slechts 400 rupies. Als alle toeristen hun buik hebben volgegeten en weer naar hun riante kamers verdwijnen, rot de band ook op. We doen ons jaarlijkse vakantie-eukie en vallen in een diepe slaap.


Woensdag 27 oktober

We maken nog gulzig gebruik van de faciliteiten die ons geboden worden in het dure hotel. Met een lekker ontbijt met eieren beginnen we de nieuwe dag, het is weer prachtig weer. We hebben met Sunju afgesproken dat hij ons rond 13.00 uur op komt halen. Zelf heeft hij in Bikaner geslapen. We slenteren nog wat rond in de tuinen van het paleis. De ober laten we nog een kopje koffie brengen. Met de fooi die we hem geven, 17 rupies, weet hij geen raad. Dit valt even buiten de procedure, alles gaat via bonnetjes, niet contant. Het zijn zeer simpele zielen, ze weten een aantal Engelse oberzinnetjes, maar zodra je een open vraag stelt (cursus) dan komt er niets zinnigst meer uit. We rekenen 5800 rupies af, 300 gulden, voor dit nachtje. Wat kan ons dat schelen, de creditcard is geduldig.
Sunju komt ons stipt op tijd ophalen, makkelijk hoor zo'n privetaxi. We rijden al snel Bikaner binnen. Het ziet er redelijk georganiseerd uit, brede lanen, rotondes. Om 15.00 uur komen we bij het door Sunju aanbevolen hotel aan, buiten het gewoel van de stad. Het ziet er netjes uit, grasveldje voor de deur en dat voor 800 rupies.
Bikaner heeft een kamelenfokkerij, waar volgens Lonely Planet honderden kamelen moeten lopen en wat zo uniek is dat we dat niet mogen missen. Wij zien er maar een stuk of 10. Een fokhengst met een uithangende onderlip is volgens ons de befcamel om de vrouwtjes wat voor te verwarmen, alvorens ze besprongen worden door de collega's. Een hevig kreunend en brullend vrouwtje is net aan het bevallen (denken we), we mogen er niet te dichtbij komen om te kijken. Het valt natuurlijk niet mee om zo'n bult door het geboortekanaal te persen. Het valt allemaal wat tegen.
We eten een schamele maaltijd in het hotel, niet echt smakelijk. In Bikaner is vegetarisch eten zeer gebruikelijk. We weten de avond nog te rekken tot 22.30 door heerlijk buiten te zitten. Daarna gaan we naar bed.


Donderdag 28 oktober

Onze vakantie begint echt op z'n eind te lopen. We zijn eigenlijk al met de terugreis bezig. We beginnen al te hallucineren over andijvie met spekjes, Sukiyaki, drop, bruin brood met kaas, wijntje en alle geneugten van ons westerse bestaan.
Rond 10.00 uur rijden we naar de beroemde rattentempel, ongeveer 30 km buiten Bikaner. Ja, wat is er nou zo bijzonder aan? Voor Hindi is het allemaal zeer heilig, maar voor ons is het maar een gore vieze boel. De honderden ratten krioelen over je voeten. Binnen 5 minuten staan we weer buiten. We praten in de schaduw nog even met een soort Ank of Loes, een Nederlandse uit een Djosergezelschap. Ze vindt het allemaal maar niks, die vuiligheid en die ratten. Maar ja, ze moet met het gezelschap mee. Ze heeft nog 4 moeilijke weken te gaan.
We laten ons afzetten in het oude centrum van Bikaner. Weer zo'n heksenketel, polution en heel veel mensen. Het is onvoorstelbaar hoe deze mensen hier kunnen leven. We worden door iedereen aangesproken: 'which country, sir?'. Ze hebben geen flauwe notie waar Holland ligt. Via het pakje shag, waar de wereld op staat afgebeeld, proberen we uit te leggen waar we vandaan komen. Ellen wordt met grote ogen door de mannen nagekeken (schijnt de rok soms door?). We kopen nog wat fruit voor de nodige vitaminen en worden weer netjes opgehaald op de afgesproken tijd en plaats.
In het hotel vragen ze of we weer blijven eten. In dat geval willen ze wel even een kip voor ons op de kop tikken. We besluiten echter onszelf weer even te verwennen.
We gaan uit eten in het voormalige paleis van de maharadja van Bikaner. Een majestueus gebouw uit 1903. Veel rijke westerlingen overnachten hier. Het is er sjiek en er heerst een Rajhastaanse sfeer. Het gebouw is prachtig uitgelicht. In het gebouw is een fantastische open ruimte waar de nachtelijke sterrenhemel naar binnen schijnt. Er wordt voor de vele gasten muziek en dans opgevoerd en er is een poppenspel. En wie zien we daar: Syb met z'n dikke Duitse nicht. Die twee gaan natuurlijk al die paleizen af, waarschijnlijk denken zij dat ook van ons. Het eten is weer van een excellente kwaliteit, pittig maar heerlijk van smaak. Vegetarisch, kip, geit, heerlijke sauzen en ijs toe. Het gaat er allemaal sjiek aan toe en dat voor 1200 rupies, met drank. We nemen nog een whisky in de lounge en zakken weg in de diepe fauteuils. Het paleis hangt vol met geschoten wild, geschoten door de maharadja himself: tijgers, herten, neushoorns. Er hangen ook een hoop oude schilderijen van z'n paleizen leuk, leuk, leuk!
Sunju komt ons weer netjes op tijd ophalen, wat een luxe. In het hotel is het licht (dus ook de airco en de fan) uitgevallen, het is warm en we slapen slecht.


Vrijdag 29 oktober

We rekenen 2400 rupies af en gaan op weg richting Mandawa, ongeveer 250 km. De weg is eentonig. Onderweg komt ons een andere taxi tegemoet, een oom van Sunju. We praten nog even met z'n twee vrouwelijke Nederlandse passagiers. Zij hebben nog een paar weken te gaan. We hebben met Sunju afgesproken dat we zouden slapen in Madawa en om dan de volgende dag naar een nationaal park, Sariska genaamd, te gaan. E.e.a. is blijkbaar niet goed overgekomen, want we stoppen alleen maar in Mandawa om de haveli's te bekijken. Mandawa heeft inderdaad een groot aantal van deze koopmanshuizen staan, maar ze zijn echter in grote staat van verval. De muurschilderingen zijn nauwelijks nog te zien en alles is kapot. Het zijn gewoon ruïnes. India, India, wat gaan jullie slecht om met jullie kunstschatten uit het verleden. Hier moet eigenlijk een fonds voor worden opgericht. Als dit nog 10 jaar zo doorgaat en alle gebeeldhouwde deuren en kozijnen staan in Schoonhoven bij Dolf en Marja in de winkel, dan is het gauw afgelopen met de haveli's en moet de Lonely Planet herschreven worden. We blijven dus niet slapen in Madawa en besluiten door te rijden naar Sariska National Park.
Onderweg komen door Jhunjhunju. Sunju vraagt of we willen lunchen. We zeggen ja en even later stopt hij net even buiten de stad bij een hotel dat hij kent. Het is er idyllisch en rustig. We zitten in een heerlijke tuin te eten. Eigenlijk willen we hier wel blijven. Aan de ober vragen we of dat kan. Er blijken 4 kamers te zijn. Op ons verzoek laat de ober ons een kamer zien, je gelooft je ogen niet. Een prachtige van top tot teen beschilderde kamer met een prachtig bed. We besluiten meteen de kamer te nemen. 'No problem' voor Sunju. In het hotel is ook nog een klein zwembad (wat op dat moment met vers water gevuld wordt) waar we direct gebruik van maken. Wat een onverwacht genoegen!
We eten nog een lekkere vegetarische maaltijd in de tuin. We ontmoeten de eigenaar van het hotel, die ook de artiest is die onze kamer heeft beschilderd. Hij vertelt dat hij er 2,5 jaar over heeft gedaan. Een vrouw uit Engeland heeft het plafond beschilderd. Het bed heeft 90.000 rupies gekost. Veel geld voor Indiase begrippen. We slapen heerlijk.


Zaterdag 30 oktober

Onze volgende stop is Sariska National Park. De weg ernaar toe is vreselijk slecht. Vele gaten in de weg en we komen door dorpen waar ze nog nooit asfalt gezien hebben. Sunju moet steeds de weg vragen. De dorpen waar we doorheen komen zijn zeer chaotisch en exotisch. We beginnen al in herhalingen te vallen: hoe kunnen deze mensen hun brood verdienen. Uiteindelijk komen we weer op de highway terecht. Het is nog 42 km naar het park. In het park aangekomen, nemen we direct een jeep met gids om het park in te gaan om de tijgers te bekijken. Zoals alle nationale parken waar ook ter wereld, laten de wilde dieren zich niet zomaar langs de weg zien, zo ook de tijgers niet. We zien wat herten en antilopen waar we eigenlijk niet meer warm voor lopen. Totdat plots voor ons een taxi erop wijst dat er een tijger gesignaleerd is. En verdomd, daar loopt een tijger. De gidsen zijn aangenaam verrast en wij ook, dit hadden we niet verwacht. Nadat de tijger weer de heuvels in is gevlucht, gaan de gidsen in de jeeps vol geluk in hun ogen terug naar het vertrekpunt. We moeten bij alle checkpoints verslag doen van onze ontmoeting met de tijger. Al met al toch leuk om dat beest gezien te hebben. In het park zijn er 28 op een gebied van 800 vierkante km, dus hebben ze genoeg ruimte en voedsel. Het hotel is een staatshotel, niet goed maar het eten is wonderwel te goed te vreten.


Zondag 31 oktober

Onze laatste dag, terug naar Delhi. Nog 250 km te gaan. Onderweg kopen we nog wat spulletjes van onze laatste rupies. Rond 16.30 uur zijn we in Delhi en laten we ons afzetten bij hotel 55. We geven Sunju 1000 rupies voor de bewezen diensten en nemen afscheid. Morgen om 6.30 uur moet hij weer ongeveer dezelfde richting uit met andere toeristen, het is z'n vak. In hotel 55 kennen ze ons nu wel en mogen we gebruik maken van een kamer om ons wat op te frissen.
We lopen nog even de stad in om wat te gaan eten in het Indian Coffee House. Ik koop nog een paar zwarte leren schoenen voor 50 gulden die ik toch nodig heb.
In afwachting van ons vertrek naar het vliegveld hebben we nog een stevig gesprek over de situatie in India met Rashied, de man van Kasjmir. We zijn het erover eens dat het niet goed gaat met India en met de wereld. Het zal onze tijd wel uitdienen.
Dezelfde man die ons 4 weken geleden kwam ophalen, brengt ons nu in kamikazestijl terug naar het vliegveld. We zitten stijf van angst op de achterbank, maar komen wonder boven wonder veilig op het vliegveld aan. Het inchecken gaat zeer snel. We kopen nog wat shag van onze allerlaatste rupies en in afwachting van onze vlucht KL 0472 nemen we nog een biertje. We vliegen op 1 november 01.40 uur. We hopen dat alles goed gaat, want we zien net op BBC world dat er een Egyptisch vliegtuig is neergestort bij JKF airport in Amerika.
We gaan met pijn in ons hart terug naar Nederland. India heeft ons beiden gegrepen. Heel bijzonder en ongelofelijk, de mensen, de gebruiken, het hele leven. India, we love you!


Dit is een reisverslag van: Jan Lamens